De eerste globalisering

Dit wordt de eerste in hopelijk een reeks blogposts over wetenschappelijk onderzoek dat wordt verricht in domeinen die mij interesseren. We steken van wal met een paper over de globalisering tijdens de periode 1870-1914.

De huidige globaliseringsgolf heeft ons inderdaad doen vergeten dat een dergelijke economische integratie op wereldschaal zich al eerder heeft voorgedaan: zowat 100 jaar geleden namelijk. Om de huidige globalisering te begrijpen is het goed te kijken naar de kenmerken en effecten van "de eerste globalisering". Aan die globalisering kwam immers een brutaal einde met de eerste wereldoorlog.

1. De kenmerken van de eerste globalisering

a) Toenemende wereldhandel: in de periode van 1870-1914 groeide de handel met 4,1% per jaar. Vooral België, Duitsland, Zwitserland en Finland deelden in de prijzen. De groei van de handel was bijzonder indrukwekkend getuige de stijle afname van de prijsverschillen tussen de handeldrijvende landen in goederen zoals tarwe, rijst, textiel, ijzer en koper. De oorzaken van deze groei lag in de revolutie in transport (schepen, spoorwegen...), de vrede tussen de belangrijkste grootmachten uit die tijd met onder  andere het wegnemen van handelsbarrières en een betere bescherming van eigendomsrechten als gevolg, en de verspreiding van de goudstandaard.

b) Kapitaalstromen. Ook de integratie van de kapitaalmarkten was impressionant. Buitenlands kapitaal bedroeg 7% van het BBP in 1870, maar 20% in 1900-1914. Kapitaal stroomde vooral vanuit Europa (met Groot-Brittannië op kop) naar landen met een overvloed aan hulpbronnen (zoals land en arbeid): de Verenigde Staten, Canada, Argentinië en Australië hebben daar het meeste voordeel uitgehaald. Het is die overvloed aan natuurlijke bronnen die de kapitaalstromen verklaart, samen met de aanwezigheid van de goudstandaard, die beleggen in het buitenland relatief veilig maakte. Het is belangrijk te beseffen dat bij de huidige globalisering kapitaalstromen vaak in de omgekeerde richting gaan: van arme landen met veel hulpbronnen naar rijke landen zoals de V.S.! Wat de effecten hiervan zijn zullen we later nog bespreken.

c) Migratie. Het meest opvallende aspect aan de eerste globalisering was echter de gigantische migratiestromen die gedurende deze periode plaatsvonden. Na 1900 was  de jaarlijke migratiestroom toegenomen tot meer dan een miljoen mensen per jaar. Sommige Europese landen "verloren" meer dan 10% van hun bevolking (hoewel een deel van hen ook terug keerden, wat vaak het geval is met vrije economische migratie). De oorzaken van deze migratie liggen voor de hand: de lonen lagen in de Nieuwe Wereld een pak hoger dan in het "oude" Europa. Transportkosten waren laag en er was weinig politieke tegenstand om de migratiestromen te verhinderen, zoals vandaag wel het geval is.

d) Een "marketplace of idea's": ten slotte werd de wereld in de door ons beschouwde periode alsmaar meer een globale marktplace of idea's.  Kennis en technologie ging de wereld rond: van Europa naar Amerika bijvoorbeeld (en omgekeerd). Maar ook Japan was een vlijtige leerling en adept van vreemde ideeën.

2. De gevolgen van de eerste globalisering

Nu we omschreven hebben wat de kenmerken van de eerste globalisering waren en we ook een beetje hebben kunnen proeven van de verschillen met de globalisering van vandaag, wil ik even stilstaan bij de gevolgen ervan:

a) De eerste globalisering was goed voor de arbeiders (en schadelijk voor landbouwers). Vrijhandel leidde tot dalende prijzen vooral in voedsel en andere basisbehoeften. De reële lonen stegen dan ook, met 43%! Meer dan de helft van die stijging was te danken aan de vrije wereldhandel. Geen wonder dat in deze periode de socialistische partijen voorstander waren van vrijhandel. In die tijd was er geen sprake van gemekker a là Paul Magnette over de wenselijkheid van vrijhandelsakkoorden.

b) De eerste globalisering was goed voor de migranten, de landen waar ze naar toe gingen én voor de landen die ze verlieten. Migratie leidde tot een internationale nivellering van de lonen. De inkomensongelijkheid nam in die periode dus af. Rijke en arme landen groeiden naar elkaar toe. Er was convergentie. Zonder deze migratiestromen zou er sprake zijn geweest toenemende ongelijkheid en divergentie. Zoals de auteurs stellen:

The biggest lesson of 19th century migration history is that emigration is of major benefit to poor economies.

Gezien de globale backlash tegen migratie (zie Trump) is het zeer onwaarschijnlijk dat de omvangrijke migratiestromen van de eerste globalisering zich opnieuw zullen herhalen. Dat is spijtig. Vele migranten blijven daardoor in de armoede en/of zonder job. En terwijl socialisten intussen maar jammeren over de grote ongelijkheid in de wereld, zien ze niet in dat open en vrije economische migratie hiertegen een machtig wapen kan zijn, getuige de eerste globalisering.

c) Ten derde werden sommige landen in de Nieuwe Wereld rijk van de kapitaalstromen en investeringen hoofdzakelijk afkomstig van Groot-Britannië (wegens zijn spaaroverschot). De Verenigde Staten en Australië zijn evidente voorbeelden, maar ook aan land als Argentinië dient aan deze groep toegevoegd te worden. Hoe omvangrijk ook, ze bleven echter beperkt tot een select groepje uitverkoren landen. Wat we dus nodig hebben zijn niet alleen omvangrijke kapitaalstromen, ze moeten ook zeer divers en breed zijn. Erger is dat met de huidige globalisering kapitaalstromen zelfs in de verkeerde richting gaan: van arm naar rijk. Sommige welvarende landen zoals de V.S. hebben, in tegenstelling tot Groot-Britannië in 19de eeuw, geen spaaroverschot, maar een spaartekort (als gevolg van de decennialange stimulering van consumptie). Zij worden hiervoor gefinancieerd door relatief armere landen zoals China. En die kapitaalstromen zijn dus niet bestemd voor welvaartsverhogende investeringen maar voor de financiering van consumptieve uitgaven - zoals voor woningen - en voor het Amerikaanse overheidstekort.

d) Om af te sluiten nog een laatste opmerkelijk gevolg: de politieke reactie op de eerste globalisering was grondig anders dan nu. We hebben reeds gezien dat de socialistische partijen achter vrijhandel stonden. Dat was ook het geval met sommige vakbonden. Misschien niet met overtuiging, maar er bestond een soort pact tussen vakbonden en politiek om hand in hand met de globalisering ook een begin te maken met de welvaartsstaat. Ook in dit opzicht verschilt de huidige globalisering met de eerste: terwijl de eerste globalisering de aanzet werd tot de uitbouw van een sociale zekerheid, wordt de globalisering nu als een bedreiging ervan aanzien.

Tot besluit kunnen we stellen dat de huidige globalisering op twee belangrijke punten verschilt van deze van eind 19de - begin 20ste eeuw. De eerste is migratie. Er zijn nu veel meer barrières dan toen, terwijl de voordelen van migratie nu in feite veel groter zijn - aangezien de loonverschillen tussen de zendende en ontvangde landen ook veel groter zijn. Dit maakt dat de huidige globalisering terecht bezien wordt als een proces dat de ongelijkheid vergroot. Maar het is belangrijk om te beseffen dat hier niets onvermijdelijks aan is. Met dezelfde openheid voor migratie als in de vorige periode kan dit proces gekeerd worden, en kan van de huidige globalisering een nog groter succes worden gemaakt.

Helaas is daar nog iets voor nodig. Ook het vrij verkeer van kapitaal heeft tegenwoordig niet hetzelfde positieve effect als toen. Als arme landen willen ontwikkelen hebben ze kapitaal nodig. Maar internationale kapitaalstromen laten de arme landen links liggen. Uiteraard zijn die landen daar deels zelf verantwoordelijk voor. Maar zelfs al zorgen ze voor een optimaal investeringsklimaat, dan nog zoekt dat kapitaal tegenwoordig andere landen op, in de eerste plaats de Verenigde Staten. Ook hier is echter niets onvermijdelijks aan.  Het vraagt echter soberheid: zowel van de Amerikanen zelf (die minder zouden moeten consumeren) als van de Amerikaanse overheid (die minder zou moeten uitgeven bvb. aan defensie). Het vraagt ook een ander beleid van de Federal Reserve Bank.