Is handel oorlog?

1. Inleiding

Eind vorig jaar publiceerde Jonathan Holslag, docent internationale politiek aan de VUB en China-kenner, een lang artikel over het Vlaams nationalisme van Bart De Wever en de N-VA. In het artikel verwijt Holslag de N-VA de Vlaamse welvaart te verkwanselen door voluit de kaart van de vrije markt te trekken. Op temijn zal dit, aldus Holslag, leiden tot een economische stagnatie in Vlaanderen. De oplossing bestaat er daarentegen in om voluit de kaart van het economisch nationalisme te trekken. Wat we precies onder economisch nationalisme moeten verstaan wordt in de loop van het artikel niet meteen duidelijk. Zo kant Holslag zich bijvoorbeeld tegen het Uplace-project, wat toch een Vlaams initiatief is van Club Brugge-voorzitter Bart Verhaeghe. Evenmin pleit Holslag voor invoerheffingen of andere zuiver protectionistische maatregelen. Er zijn wel enkele vage verwijzingen naar buitenlandse economisch "nationalistische" initiatieven:

Amerikanen doen dat bijvoorbeeld met hun koop-Amerika-politiek, de Chinezen door middel van een ongeziene financiële uitputtingsslag en vele andere landen, van Singapore tot Qatar, door hun geldreserves om te zetten in strategische investeringsfondsen. "Handel is oorlog", zei de Chinese professor Yan Xuetong me ooit. Het huidige economische nationalisme heeft dus niet zo zeer van doen met het opwerpen van grenzen, maar met het manipuleren van de globalisering ten bate van nationale belangen.

Met "het manipuleren van de globalisering (hoe doe je dat?) ten bate van nationale belangen (wie bepaalt wat onze nationale belangen zijn? Holslag zelf misschien?)" kan je natuurlijk alle kanten uit. Hoe wil Holslag de globalisering manipuleren? Ook dat wordt niet duidelijk. Holslag wil minder goedkope import, en ook het aantrekken van buitenlandse investeringen is voor de man uit den boze. Tegelijk vindt hij de Amerikaanse en Chinese economische machtspolitiek niet meteen goede voorbeelden (terwijl hij ze net daarvoor instemmend heeft aangehaald als succesvolle voorbeelden van "manipuleren van de globalisering") want niet in het voordeel van de eigen bevolking.

Economisch nationalisme moet voor Hoslag én zorgen voor een evenwichtige betalingsbalans én in het voordeel zijn van de samenleving. Maar nogmaals, echt concreet wordt Holslag nergens. In feite komt het pleidooi volledig neer op een soort industrieel beleid voor de ontwikkeling van nieuwe maakindustrie (wellicht via de bescherming van "infant industries", een idee van de 19de eeuwse Duitse econoom Friedrich List). Dit lijkt voor Holslag de heilige graal te zijn van het economisch nationalisme dat zorgt voor balansen en samenlevingen in evenwicht.

Samengevat:

1) "handel is oorlog": handel is een zero sum game, wat de ene partij wint, verliest de andere;
2) daarom moet de handels- en betalingsbalans in evenwicht zijn, en liefst nog een overschot vertonen: pas dan heb je immers de handelsoorlog gewonnen;
3) dit moet je doen ten bate van de eigen bevolking en voor de versterking van de samenleving,
4) de enige manier om dit te doen is door alles in te zetten op de ontwikkeling van een duurzame en innovatieve maakindustrie want die zorgt voor jobs, versterkt onze concurrentiepositie, verhoogt de export en verbetert dus onze handelsbalans. Tegelijk moeten goedkope import en buitenlandse investeringen vermeden worden, want slecht voor onze betalingsbalans (of ze slecht zijn voor de bevolking is veel minder duidelijk).

2. Holslag, Cossaer, Archer

Het grappige is dat Holslag doet alsof dit alles een moderne visie is, om op optimale manier om te gaan met de uitdagingen en kansen van de hedendaagse globalisering. We kunnen tegelijk de globalisering "omarmen" én er afstand van nemen. Zowaar een dialectische kijk op het economisch gebeuren waar Marx nog een puntje aan kan zuigen. De waarheid is evenwel dat dit ideeëngoed stokoud is. Het economisch nationalisme van Holslag is inderdaad helemaal niet nieuw of modern maar gaat terug tot de 16de en 17de eeuw toen door bepaalde auteurs een economische doctrine werd ontwikkeld die we tegenwoordig kennen als het "mercantillisme".  

In zijn reactie op het artikel van Holslag verwijst Lode Cossaer naar deze economische doctrine en naar het feit dat ze intussen al talloze keren weerlegt is geworden, voor de eerste keer door Adam Smith in zijn Wealth of Nations. Handel is geen oorlog, aldus Cossaer, maar net een positive sum game. Beide partijen winnen. Dat is de reden waarom er überhaubt handel is. En het is natuurlijk precies door het gemanipuleer van deze handelstransacties door overheden dat handel oorlog dreigt te worden. Holslag heeft zich met andere woorden opgesloten in een perfecte circelredenering. Handel is geen oorlog, maar wordt oorlog door de economische machtspolitiek van overheden. Bijgevolg wordt een spel waarbij alle partijen voordeel hebben, plots een zero sum game, waardoor er weer verder gemanipuleerd moet worden om te vermijden dat men aan de verkeerde kant van de balans komt te staan. De oorlog escaleert verder en verder. Tot welke rampen zulke handelsoorlogen kunnen leiden, hebben de jaren dertig van de vorige eeuw ons intussen wel geleerd.

Ook de idee dat de betalingsbalans in evenwicht moet zijn, kent in de ogen van Lode Cossaer terecht geen genade:

Wanneer ik een negatieve handelsbalans heb met mijn bakker, betekent dat dat ik meer geld geef aan de bakker (en meer producten ontvang van de bakker) dan omgekeerd. Mijn werkgever, aan de andere kant, heeft een negatieve handelsbalans met mij: hij geeft mij meer geld dan ik geld aan hem geef (en in ruil ontvangt hij of zij mijn diensten). Zijn negatieve handelsbalansen bijgevolg problematisch? Uiteraard niet, want iedereen begrijpt dat de bakker zich specialiseert in het maken van brood, en dat we beiden beter af zijn wanneer ik een brood bij hem koop.

Met handelsbalansen is het op macroniveau niet anders. Als België een negatieve handelsbalans heeft met land X, betekent dat dat een groot deel van de Belgen de producten die in dat land worden geproduceerd waardeert en aankoopt, waardoor zowel zij als de producent er beter van worden.

Aangezien de handelsbalans een centraal element vormt van het mercantillisme en Holslag's moderne versie ervan, zal ik er straks nog uitgebreid op terug komen. Maar eerst moet ik het ook nog even hebben over de reactie op Cossaer's kritiek. Want het is natuurlijk duidelijk dat zo'n overduidelijk ideologisch geïnspireerde opinie als die van Lode Cossaer niet onbeantwoord mag blijven. En dus verschijnt er enkele dagen later een artikel van een zekere Matthew Archer, die wordt omschreven als een "doctoraatsstudent ecologische antropologie aan Yale University".

Good heavens! Ecologische antropologie. Die moet ongetwijfeld weten hoe het wereld economisch systeem dan wel in mekaar steekt. Maar veel wijzer worden we er niet van. Oh ja hoor, we komen te weten dat markten ingebed zijn in de maatschappij (duh!), er wordt verwezen naar de lichtjes gestoorde Karl Polanyi , en Lode wordt ideologische vooringenomenheid verweten (hij moet wel een aanhanger van de Chicagoschool zijn, wat hij eigenlijk net niet is).

We komen ook te weten dat Cossaer ten onrechte een vergelijking maakt tussen transacties tussen personen en handel tussen landen, terwijl die vergelijking net zeer terecht is, hoe sterk markten ook ingebed in de maatschappij zijn. We komen er straks nog op terug met onze analyse van de handelsbalans. Hier volstaat het te verwijzen naar het boekje Globaphobia, geschreven door enkele economen van het Progressive Policy Institute, een progressieve denktank gelieerd met de Democratische Partij, en dus overduidelijk ideologisch vooringenomen aanhangers van de Chicagoschool. In het boek vertrekken de auteurs net vanuit de idee van wederzijds voordelige interacties tussen personen om zo te komen tot een schitterende verdediging van globalisering en vrije handel.

Een andere econoom die min of meer dezelfde werkwijze volgt is Paul Krugman (nog zo'n ideologisch geïnspireerde aanhanger van de Chicagoschool!). In zijn boek Pop Internationalism maakt deze progressieve econoom brandhout van het mercantillisme en zijn moderne varianten. Holslag en Archer zouden deze boeken dringend moeten lezen. Of misschien kunnen ze de Nederlandse econoom en gewezen PVDA-minister Rick Van der Ploeg (nog een...) proberen.  Eens kijken wat die zegt:

'Het belangrijkste argument voor globalisering is terug te voeren op de leer van het comparatieve voordeel van David Ricardo. Wat die inhoudt? Ik geef je een voorbeeld. Ik ben goed in onderzoek doen en artikelen en boeken schrijven. Correspondentie en het uittypen van teksten kan ik maar beter overlaten aan mijn secretaresse, anders zit ik mijn tijd teverdoen.'Zo is het ook met landen. China is domweg beter dan Nederland in de fabricage van bier, kleren en stereotorens. Dan moet je niet krampachtig blijven vasthouden aan een eigen textielindustrie. Andersom werkt het ook. Omdat het Chinese onderwijs nog niet zo goed is, gaan slimme Chinezen massaal studeren aan universiteiten in de VS en Engeland - helaas nauwelijks in Nederland.

Daar heb je niet van terug hé Matthew. En dan verwijst die Van der Ploeg ook nog eens naar een econoom van de 18de eeuw!  En dat vond je toch zo zwakjes van Lode, dat hij terug ging op ideeën uit de 18de eeuw, die van Adam Smith namelijk. Maar kijk eens, wereldvermaarde economen als Rick van der Ploeg en Paul Krugman (zie zijn Ricardo's difficult idea) doen het ook!

Laten we maar gerust stellen dat dit laatste verwijt niet alleen kant nog wal raakt, maar ook getuigt van een onzettend gebrek aan kennis van economische geschiedenis en van de geschiedenis van het economisch denken. Maar wat kan je verwachten van een ecologisch antropoloog die blijkbaar enkel Karl Polanyi leest.

3. Het mercantillisme ontmaskerd

Zoals ik al eerder opmerkte gaan de ideeën van Holslag in feite nog veel verder terug. Het mercantillisme dateert immers van de 16de en 17de eeuw, die volgens mij nog altijd de 18de eeuw - de eeuw van Smith en Ricardo's moeilijke idee - voorafgaan. Toen heerste met name in Groot-Brittannië de algemene opvatting dat een land moet streven naar een overschot op de handelsbalans. Handel werd immers gepercipieerd als een "zero-sum"- game: wat de ene partij wint, verliest de andere. Verder wordt in de mercantillistische visie rijkdom gelijk gesteld met geld, wat in die periode gelijk stond met goud en edele metalen. Om goud en zilver te accumuleren moest de handelsbalans een overschot vertonen. En dus moest de import worden ontmoedigd en de export aangemoedigd. Het mercantillisme was dus een recept voor overheidsinterventie.

Het mercentallisme is in mijn ogen één van de meest schadelijke economische doctrines die er zijn. Maar ondanks het feit dat vrijwel geen enkele econoom ze nog serieus neemt, blijft ze steeds opduiken, dankzij mensen als Holslag en dankzij ecologische antropologen. Met reden staan we er dan ook wat langer bij stil.

Het mercantillisme sloot aan bij het opkomend nationalisme en de bijhorende vorming van machtige natie-staten. Dit nationalisme is overigens het omgekeerde van het nationalisme van de N-VA. Geen decentralisatie of regionalisering, maar centralisatie en "nationalisatie".  Landen onder invloed van het mercantillisme "nationaliseerden" het economisch beleid: de rol van families, gilden, lokale prinsen en steden werd systematisch uitgehold ten voordele van een centraal geleide economie. Het mercantillisme was in feite een nationale planeconomie avant la lettre.

Wat het handelsbeleid betrof, werd geopteerd voor een doorgedreven monopolisering.  Zogenaamde handelscompanieën kregen elk een monopolie toebedeeld (via een charter) voor het voeren van handel met een speficiek deel van de wereld. De meest bekende uiteraard was de Oost-Indische Companie die het monopolie kreeg voor de handel met Aziatische landen, meer bepaald met India. In Nederland werd de Verenigde Oostindische Companie opgericht voor de handel met onder andere Indonesië. Deze monopolies waren volgens de mercantillistische visie aldus de beste manier om de handelbalans in het voordeel van Groot-Brittannië te manipuleren.

Tegelijk ging het mercantillisme gepaard ging met een brutaal imperialisme. Een brutaal imperialisme gekenmerkt door het plunderen van de natuurlijke hulpbronnen van de nieuwe kolonies in Azië en/of Amerika alsook het tegengaan van elke mogelijke vorm van industrialisering en economische ontwikkeling. In Westerse landen werd dus een industriëel beleid gevoerd, in de kolonies werd in tegendeel deindustrialisatie nagestreefd. Allemaal voor een positieve handelsbelans met de bijhordende accumulatie van geld en edele metalen.

Het finale doel van deze politiek was het winnen van de Europese machtsstrijd om zo de meest machtige Europese natiestaat te zijn. Het ging dus helemaal niet om het welzijn van de eigen bevolking, integendeel. Uiteraard was het niet mogelijk om de machtigste natie in Europe en de wereld te worden zonder een sterk leger en een sterke oorlogsvloot. En dat was dan weer niet mogelijk zonder een postieve handelsbalans. Alleen een positieve handelsbalans bracht immers de nodige toename van geldmiddelen en muntstukken met zich mee. Een positieve handelsbalans kortom werd gezien als noodzakelijke voorwaarde voor de financering van de militaire macht van de Europese natie-staten. (Zie hierover Wiliam A. Scott, The Development of Economics, Chapter II: The Mercantile System).

Wie mercantillisme zegt, zegt dan ook imperialisme en is voorstander van een brutale economische machtspolitiek, die ten nadele gaat van de rest van de wereld én van de eigen bevolking. 

Zoals ik heb aangetoond verwerpen tegenwoordig gelukkig zowat alle economen dit vilein en destructief mercantillisme. De eerste systematische kritiek op deze economische doctrine dateert evenwel van de 18de eeuw en is van de niet zo onzichtbare hand van Adam Smith. Smith bekritiseerde overigens niet enkel de inhoudelijke aspecten van het mercantillisme. Als een economisch liberaal stond hij ook zeer vijandig tegenover ermee gepaard fenomenen zoals monopolievorming en imperialisme. Nadien volgende nog Ricardo met zijn moeilijke ideeën. Het is dus helemaal niet onlogisch dat Lode Cossaer naar deze eerste systematische kritiek verwijst om het veel oudere idee van het mercantillisme en de wenselijkheid van een positieve handelsbalans naar de prullenmand te verwijzen. Het is met andere woorden Holslag zelf en niet Lode Cossaer die zich baseerd op een ouderwets en voorbijgestreefd ideeëngoed.

Misschien laten we de ecologische antropologie dan maar ook beter achterwege. Om het mercantillisme naar het rijk der fabelen te verwijzen, moeten we sowieso vertrouwen op economische analyse, Karl Polanyi en inbedding van markt in maatschappij ten spijt. 

4. Economische analyse van de handelsbalans

Er is echter geen reden tot paniek. Ik ga geen verwijzigingen maken naar bakkers of naar zogenaamd aftandse 18de eeuwse theorieën. Ik ga me zelfs niet beroepen op de Chicagoschool. Ik zal gewoon gebruik maken van het begrippenapparaat ontwikkeld door de neoklassieke school, Keynesiaanse afdeling (met dank aan Greg Mankiw).

Laten we beginnen met een gesloten economie. Geen handel dus, want dat is toch maar oorlog! Al hetgeen we op een jaar tijd produceren wordt uitgedrukt in een grootheid, binnenlands product of BBP genaamd. Simpel gesteld, het BBP bestaat uit consumptiegoederen enerzijds (C) en investeringsgoederen anderzijds (I). Dus : BBP = C + I.

Om deze goederen te produceren zijn er productiefactoren nodig :  arbeid en kapitaal zijn de twee belangrijkste. Zij ontvangen daarvoor een vergoeding onder de vorm van lonen voor arbeid en winst voor kapitaal. Deze lonen en winsten vormen samen het nationaal inkomen (Y). Hieruit volgt uiteraard dat Y gelijk aan het BBP.

We kunnen met dat inkomen twee dingen doen: ofwel geven we het uit voor de aankoop van consumptiegoederen  (C) ofwel wordt het inkomen gespaard (S). Dus: Y = C + S.

Dus:

Y = BBP
Y = C + S
BBP = C + I
Y = C + S = C + I en
S = I

Laten we nu oorlog gaan voeren. We openen de economie. In een open economie worden goederen geïmporteerd (IM) en geëxporteerd (EX). Het verschil tussen die twee is de netto-export (NX). Wanneer de netto export negatief is, worden er dus meer goederen geïmporteerd dan geëxporteerd en is de handelsbalans negatief.

In dit geval moeten we de vergelijking een beetje aanvullen. Ze wordt dan Y = C + I + (EX – IM) of Y = C + I + NX.

Y is met andere woorden de som van de binnenlandse bestedingen en de bestedingen aan buitenlandse goederen.

We kunnen nu de vergelijking weer gaan herschikken:

NX = Y – (C + I)

De handelsbalans is dus het verschil tussen het nationaal inkomen (nationaal product, alles wat we in één jaar produceren) en de binnenlandse bestedingen. Als we meer produceren dan dat we zelf verbruiken, is er een overschot op de handelsbalans. Als we minder produceren dan hetgeen we zelf verbruiken, is er een tekort op de handelsbalans. Het tekort aan binnenlandse productie moet immers goedgemaakt worden door de rest uit het buitenland te importeren.  

In een gesloten economie is S = I. Dat is per definitie zo. Onze uitgaven voor consumptie worden immers gebruikt om consumptiegoederen te betalen. De rest van ons inkomen, namelijk dat deel dat gespaard wordt (S), is dan gelijk aan de uitgaven voor investeringen (I). Maar in een open economie kan S groter of kleiner zijn dan I. Als S groter is dan I, vloeit een deel van ons spaargeld naar het buitenland. Met dat geld kan het buitenland dan onze goederen kopen. Een overschot van S boven I gaat dan ook gepaard met een overchot op de handelsbalans (meer export dan import). Dit alles is niet meer dan logisch: als we meer sparen en dus minder consumeren, dan moeten we ook minder goederen invoeren, en dat beïnvloedt onze handelsbalans in gunstige zin.

In het omgekeerde geval (S < I) wordt het tekort aan S goedgemaakt door te lenen uit het buitenland. Met dat binnenkomend geld kunnen we de invoer van buitenlandse goederen financieren. Het gevolg is dus een "verslechtering" van de handelsbalans (meer import).

Dit alles kunnen we ook aantonen aan de hand van onze vergelijkingen. We weten dat:

NX = Y – (C + I)

En dus ook dat:

NX = (Y – C) – I

Of nog:

NX = S – I.

De handelsbalans is met andere woorden gelijk aan het verschil tussen S en I. Een overschot van S boven I impliceert een positieve handelsbalans (NX > 0), een tekort van S tegenover I gaat gepaard met een negatieve handelsbalans (NX < 0).

Het is essentieel om te benadrukken dat dit niet meer is dan de toepassing van economische logica. Als NX > 0 dan kan S - I niet negatief zijn en omgekeerd. De vraag is hoe we deze economische wetmatigheden interpreteren. Dat zal onze volgende taak zijn.

5. Oorzaken van een onevenwichtige handelsbalans: historische analyse

Ik zal hierbij steeds spreken over de handelsbalans en niet de betalingsbalans zoals Holslag doet. Boekhoudkundig gezien is de betalingsbalans immers steeds in evenwicht. Ze bestaat in principe uit de lopende rekening (~ handelsbalans), de kapitaalrekening en de salderingsrekening. Meer uitleg vind je hier.  

Stel dat een land, vermoedelijk in Oost-Azië gelegen, de heilige graal van de economische groei ontdekt heeft. Het is er in geslaagd om via de ontplooiing van economische machtsmiddelen de globalisering in haar voordeel om te buigen. Het nationaal inkomen Y neemt  toe. Dat inkomen kan geconsumeerd worden of gespaard worden. Tenzij het toenemend inkomen volledig gespaard wordt, stijgt met andere woorden de consumptie. Toenemende consumptie leidt in een open economie echter tot de toename van de invoer. En dus tot een vermindering van het handelsoverschot of zelfs het ontstaan van een handelstekort.

Twee voorbeelden ter illustratie.

Eerste voorbeeld: elk ontwikkelingsland (met één gedeeltelijke uitzondering - zie later). Doorheen de recente economische geschiedenis hebben ontwikkelingslanden vrijwel altijd te maken gehad met een tekort op de handelsbalans, zeker in de eerste fase van hun economische ontwikkeling. Economische groei betekent immers meer inkomen en meer inkomen betekent meer consumptie. Zoals we hebben gezien leidt een stijgende consumptie tot een tekort op de handelsbalans. Het is immers zeer onwaarschijnlijk dat aan deze toenemende consumptie alleen kan worden voldaan met binnenlandse productie. Dus stijgt de import. Een stijgende import betekent een tekort op de handelsbalans. Hoe sneller de economische groei, hoe meer er wordt consumeerd en dus ingevoerd, en hoe hoger het handelsbalanstekort. Het tekort is dus helemaal geen symtoom van een verlies aan concurrentiekracht of een verlies aan welvaart. Integendeel, het is net het gevolg van meer economische groei en van toenemende ontwikkeling.

Tweede voorbeeld: de Verenigde Staten. Het tekort op de handelsbalans ontstaat begin de jaren 1980. Tegelijk zien we sindsdien een toename van de consumptiequote (van 87,5% in 1980 tot 95,8% in 2006) en een afname van de spaarquote (van 10% in 1980 tot 0,4% in 2006). Sinds 1980 wordt er dus stelselmatig meer geconsumeerd en minder gespaard. In 2006 werd 802,5 miljard dollar bijkomend geconsumeerd in plaats van gespaard. Niet toevallig was het tekort op de handelsbalans in dit jaar vrijwel even groot: 762 miljard dollar. Bovendien werden die extra uitgaven vrijwel volledig gefinancierd met schulden (800 miljard dollar), wat uiteindelijk geleid heeft tot de financiële crisis van 2007-2008.

Terwijl in ontwikkelingslanden de oorzaak van de toenemende consumptie (en dus het handelstekort) gezocht moet worden in de economische groei, werd de consumptieboom in de V.S. daarentegen veroorzaakt door een te soepel monetair beleid gevoerd sinds de geheime deal tussen Bill Clinton, Alan Greenspan en de ontluikende ICT-sector. In ruil voor het verhogen van de belastingen en het in evenwicht brengen van de begroting door Clinton, engageerde Greenspan zich ertoe om de rentevoeten laag te houden zodat de ICT-sector aan goedkope financiering kon komen (zie Joseph Stiglitz, The Roaring Nineties). Het gevolg was een zeepbel die in 2000-2001 uiteenspatte. Om de gevolgen daarvan op te vangen gingen Greenspan en zijn opvolger Ben Bernanke vrolijk door met het stimuleren van de consumptie. Zij volgden daarmee een aanbeveling van Keynesiaan Paul Krugman om een huizenzeepbel te creëren:

The basic point is that the recession of 2001 wasn't a typical postwar slump, brought on when an inflation-fighting Fed raises interest rates and easily ended by a snapback in housing and consumer spending when the Fed brings rates back down again. This was a prewar-style recession, a morning after brought on by irrational exuberance.To fight this recession the Fed needs more than a snapback; it needs soaring household spending to offset moribund business investment. And to do that, as Paul McCulley of Pimco put it, Alan Greenspan needs to create a housing bubble to replace the Nasdaq bubble.

Er werd namelijk ook in 2002 gevreesd voor deflatie. Om die koste wat kost te vermijden verlaagde Bernanke de rentevoet tot een ongekend laag niveau. Dit leidde tot een te soepel monetair beleid temeer daar de deflatie (ie.dalende prijzen) niet het gevolg was van een vraaguitval maar van een groei van de productiviteit. Bovenop deze monetaire stimulansen kwam dan ook nog eens de grote belastingverlaging onder G.W. Bush en het bijhorend tekort op de begroting. (Minder overheidssparen leidt uiteraard ook tot een daling van S en staat dus gelijk met een tekort op de handelsbalans).

Hoe dan ook, het handelstekort had niets te maken met de afwezigheid van een industrieëel beleid of andere vormen van economische nationalisme. Het had evenmin iets te maken met een gebrek aan concurrentievermogen. Het tekort op de handelsbalans was gewoon het gevolg van een aanhoudende consumptieboom aan de gang gehouden door de Amerikaanse overheid (in het voordeel van de financiële sector): een omgekeerde vorm van mercantillisme als het ware.

De tegenhanger van de V.S. gedurende deze periode was in eerste instantie Japan en later China. Het voorbeeld van China is zeer instructief en vormt de laatste nagel aan de doodskist van de moderne mercantilisten. Al zou je dat - toegegeven - niet meteen zeggen. China heeft immers een gigantisch overschot op de handelsbalans, en dat ondanks een sterke economische groei (gedurende een bepaalde periode zelfs in de dubbele cijfers). En om dit overschot op de handelsbalans tot stand te brengen deed China uiteraard aan de door Holslag gewenste economische machtspolitiek om de globalisering in haar voordeel te beslechten:  de koers van de Chinese munt werd immers kunstmatig laag gehouden zodat de export werd gestimuleerd en de import ontmoedigd. Als gevolg hiervan kregen de Amerikaanse bedrijven te maken met de import van goedkope goederen gemaakt in China (meestal vervaardigd in Amerikaanse fabrieken die intussen naar China waren verhuisd), zodat ze de concurrentie niet langer aankonden en maar twee dingen konden doen: ofwel sluiten, ofwel ook naar China verhuizen.

Dit is het verhaal achter de verwijten van presidentskandidaat Donald Trump die China ervan beschuldigd Amerikaanse jobs te stelen. Trump is zo'n beetje de Amerikaanse Holslag. Ook Trump beschouwt handel immers als oorlog, als een negative sum game, en dus moet de V.S. voortaan ook een handelsoorlog voeren tegen China. Wellicht met als doel om de Amerikaanse jobs terug te stelen. Maar dat is een illusie. Ja, China doet aan koersmanipulatie, maar dat is maar één deel van het verhaal. En overigens: heeft die koersmanipulatie wel zin?

Immers, wat Holslag en Trump niet weten of  er niet bijvertellen is dat China haar industriële werkgelegenheid al verschillende jaren ziet AFNEMEN. Zelfs het aandeel van de maakindustrie in de totale Chinese output neemt af (van 40% in 1980 tot 32% nu). (Dat Holslag, als China-kenner hiervan blijkbaar niet op de hoogte is, lijkt moeilijk voorstelbaar). In termen van industriële output of werkgelegenheid in de maakindustrie hebben al die koersmanipulaties dus weinig of niets uitgehaald. Het is dan ook zeer naïef om te geloven dat het voeren van een handelsoorlog tegen China de verloren industriële jobs zal terugbrengen. En ook het voeren van een industrieel beleid in Vlaanderen zal evenmin leiden tot massale jobcreatie in een nieuwe innovatie maakindustrieën.

China mag haar munt nog zoveel manipuleren als het wil, Vlaanderen mag innovatie in de maakindustrie nog zoveel steunen als het wil, die jobs komen nooit meer terug. De redenen hiervoor moeten we elders zoeken. En geloof het of niet, de beste bron hier is professor Paul De Grauwe. Volgens De Grauwe, en hij heeft het bij het juiste eind, is de dalende industriële tewerkstelling het gevolg van twee factoren. Enerzijds is er de toenemende arbeidsproductiviteit waardoor meer kan worden geproduceerd met minder werknemers. Anderzijds is er de dalende vraag naar "maakproducten".  De combinatie van deze twee facturen leidt onvermijdelijk tot jobverlies in de industrie. Geen enkele koersmanipulatie kan hieraan verandering brengen, en evenmin kan een innovatief industrieeel beleid dat. 

Het zelfs onwenselijk: de toenemende arbeidsproductiviteit en de dalende vraag naar producten uit de industrië is een goede zaak. Het is een teken van duurzame welvaart voor de burgers, en dat was toch net de bedoeling dacht ik van het pleidooi van Holslag voor economisch nationalisme. Zie daar: de markt, die niet bestaat aldus Holslag en Archer, brengt spontaan tot stand, wat ze willen verwezenlijkt zien door een brutale economische machtspolitiek, door handelsoorlogen en een ineffectief industriëel beleid.

Holslag, Archer en hun soort zijn romantici die blijkbaar terug willen naar een periode waar de meeste mensen hard labeur moesten verrichten in de industrie, zo lang ze maar iets "maakten". Maar net zoals de tijd dat we allemaal als "boeren" op het veld stonden van 's morgens vroeg tot 's avonds laat (kinderen inbegrepen) is ook deze tijd voorgoed voorbij. Zo schrijft John Kay:

When you look at the value chain of manufactured goods we consume today, you quickly appreciate how small a proportion of the value of output is represented by the processes of manufacturing and assembly. Most of what you pay reflects the style of the suit, the design of the iPhone, the precision of the assembly of the aircraft engine, the painstaking pharmaceutical research, the quality assurance that tells you products really are what they claim to be. . . .

Many of those who talk about the central economic importance of manufactured goods do so from an understandable concern for employment and the trade balance. Where will the jobs come from in a service-based economy, manufacturing fetishists ask? From doing here the things that cannot be done better elsewhere, either because of the particularity of the skills they require, or because these activities can only be performed close to home. Manufacturing was once a principal source of low-skilled employment but this can no longer be true in advanced economies.

Most unskilled jobs in developed countries are necessarily in personal services. Workers in China can assemble your iPhone but they cannot serve you lunch, collect your refuse or bathe your grandmother. Anyone who thinks these are not “real jobs” does not understand the labour they involve. There is a subtle gender issue here: work that has historically mostly been undertaken by women at home – like care and cooking – struggles to be regarded as “real work”.

En met Jagdish Bhagwati kan ik er fijntjes op wijzen dat de heren met hun pleidooi voor herindustrialisering in feite terug grijpen op de ideeën van ... Adam Smith:

While these episodes ... died early deaths, the same cannot be said for the latest revival of the “manufactures fetish” in the US and Great Britain. The latest flirtation with supporting manufactures has come from the current crisis ... and is therefore likely to have greater prospects for survival. The fetish is particularly rampant in the US, where the Democrats in Congress have gone so far as to ally themselves with lobbyists for manufactures to pass legislation that would provide protection and subsidies to increase the share of manufactures in GDP

Because of the financial crisis, many politicians have accepted the argument, in a virtual throwback to Adam Smith, that financial services are unproductive – even counterproductive – and need to be scaled back by governmental intervention. It is then inferred that this means that manufactures must be expanded. But this does not follow. Even if you wanted to curtail financial services, you could still focus on the multitude of non-financial services.

Diesel engines and turbines are not the only alternatives; many services, like professional therapy, nursing, and teaching are available. The case for a shift to manufacturing remains unproven, because it cannot be proved.

Het voorbeeld van China is opnieuw zeer instructief. Er is immers een groot verschil tussen de ontwikkeling van China voor en na het bloedbad op het Plein voor de Hemelse Vrede. Vooral het werk van de Chinese econoom Yasheng Huang is in dit verband zeer interessant en dan met name zijn crimineel onderschat boek Capitalism with Chinese Characteristics.

Gedurende de jaren tachtig van de vorige eeuw vond er in China een merkwaardige ontwikkeling plaats. Hoewel het regime in naam Communistisch bleef, en private eigendom bijgevolg nog steeds illegaal was, stonden de autoriteiten wel toe dat gewone Chinezen private eigendom konden verwerven en private ondernemingen konden starten. Het is bijgevolg belangrijk te benadrukken dat de ontwikkeling van de private sector in die jaren niet het gevolg was van specifitieke interventies van de Chineze overheid in de economie zoals een industrieel beleid (met uitzondering van een "liberalisering" van de financiële sector, zodat nieuwe private ondernemers gemakkelijk aan krediet konden geraken). Zelfs de aanbeveling van de neoliberale econoom Hernando De Soto werd in de wind geslagen: de effectieve en volwaardige erkenning van private eigendomsrechten werd in de grondwet pas ingeschreven in 2004! Het enige wat de Chinese Communisten in deze periode deden, was aan de bevolking duidelijk maken dat ze hun economische activiteiten in alle vrijheid konden ontwikkelen en dat de overheid hen niets in de weg zou leggen.   

Het spontane resultaat was een ongekende explosie van nagenoeg expliciet privaat ondernemerschap. Van de 12 miljoen ondernemingen die in 1985 werden geteld, waren 10 miljoen volledig privé. En die talloze nieuwe "infant industries" hadden blijkbaar geen nood aan een indstrustrieel beleid à la List.  De meeste nieuwe ondernemingen werden overigens gesteld in de armste (meestal rurale) gebieden van China. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze periode niet alleen een tijd was van ongekende economische groei, maar ook van een sterke afname van de armoede én een toenemende inkomensgelijkheid! In feite kan het China van de jaren 1980 bestempeld worden als één van de meest geslaagde experimenten met een echt bestaande vrije markteconomie. Tevens was het een vindicatie van het anarcho-kapitalistisch idee dat voor een succesvolle vrije markteconomie er geen nood is aan door de staat gedefinieerde en afgedwongen eigendomsrechten.

Wat waren de gevolgen voor de handelsbalans? Ongetwijfeld zouden die negatief moeten zijn: de afwezigheid van ook maar enige vorm van manipulatie van de globalisering of van een economische machtspolitiek kan alleen maar leiden tot een negatieve balans, aldus Holslag. Bovendien is dit ook het logische resultaat van onze eigen analyse: meer groei = meer consumptie = meer import. China is echter een bijzonder groot land. Bovendien was het in die periode nog altijd een relatief gesloten land. Tevens hebben we gezien dat de groei vooral het gevolg was van toenemend binnenlands ondernemerschap. Het spreekt dan ook voor zich dat de impact op de handelsbalans van deze eerste groeiperiode eerder beperkt is gebleven.

Na het bloedbad op het Plein voor de Hemelse Vrede werd deze liberale vrije marktpolitiek echter stopgezet. China begon nu alles te zetten op het aantrekken van buitenlandse investeringen (manipuleren van de globalisering) vooral in de verstedelijkte kustgebieden. De daar goedkoop geproduceerde goederen werden dan opnieuw geëxporteerd naar rijke Westerse landen, in de eerste plaats de Verenigde Staten. Gigantische staatsondernemingen konden dan weer rekenen op een voorkeursbehandeling, vooral op vlak van kredietverlening door staatsbanken. Het gevolg was een spectaculaire toename van de investeringen in China, en dat staat, zoals we hebben gezien, gelijk aan een overschot op de handelsbalans. Tegelijk werden de consumptieve uitgaven onderdrukt, onder andere door een repressie van de lonen: de groei van het arbeidsinkomen blijft stelselmatig achter op de groei van de productiviteit.  De consumptiequote in China bedraagt amper 35%, (50-52% in 1980) het laagste van alle grote economieën, terwijl de investeringsquote afklokt op 45%, het hoogste van alle grote economieën.  

Hierdoor vormt China sinds de jaren 1990 de grote uitzondering op de regel dat economische groei leidt tot een tekort op de handelsbalans. De reden voor dit atypisch resultaat ligt voor de hand: een expliciete keuze voor een investeringsgedreven groeimodel.  Zoals Yasheng Huang echter aantoont in zijn boek zijn de gevolgen van deze keuze voor de gewone Chinees dramatisch. Ondanks het feit dat ook na Tiennamen formidabele groeicijfers werden opgetekend is er van een daling van de armoede nauwelijks nog sprake en neemt de ongelijkheid opnieuw toe, vooral tussen de stedelijke gebieden en het platteland. China is intussen hét voorbeeld van crony capitalism geworden. Van spontaan intern en kleinschalig ondernemerschap ("infant industries") is nog nauwelijks sprake. Verlieslatende staatsondernemingen worden boven water gehouden door een corrupt financiëel systeem dat het aantal niet terugbetaalde leningen halsoverkop ziet toenemen.

Al dit gemanipuleer van het globale economisch systeem (drukken van de koers van de Chinese munt, subsidies voor het aantrekken van buitenlandse investeringen, staatsgeleide financiele sector, repressie van intern ondernemerschap, van consumptie en lonen etc...) om een positieve handelsbalans te creëren, hebben de gewone Chinees dan ook weinig opgeleverd. Wel heeft het in steden als Shangai een soort van arbeidsaristocratie opgeleverd: arbeiders dus die kunnen werken voor buitenlandse ondernemingen of staatsondernemingen. Ook Chinese zakenlui die goede banden met het regime onderhouden, behoren uiteraard tot de winnaars. Al de rest zit in het verliezende kamp.

Dus ja, het Chinese industriële beleid heeft het door Jonathan Holslag zo gewenste overschot op de handelsbalans opgeleverd. Maar nee, de gewone Chinees is er niet beter van geworden, integendeel. Maar dat was in de 17de eeuw met het mercentillisme, ook niet het geval. Mercantillisme, oud en nieuw, is niet bedacht voor de gewone burger, niet in China nu, en niet in Groot-Brittannië 300 jaar geleden. Adam Smith had dat trouwens heel goed gezien. De niet-bestaande vrije markt van Jonathan Holslag daarentegen zorgde voor wel de grote transformatie waar iedereen van profiteerde: het China van de jaren tachtig! 

Matthew Archer zou er dus goed aan doen om The Wealth of Nations nog eens goed te lezen en zijn versie van The Great Transformation in het vuur te gooien.

Slotbeschouwing

Handel is dus geen oorlog. In een oorlog zijn er winnaars en verliezers. In echte vrije handel daarentegen zijn er enkel winnaars. Handelstransacties worden immers enkel vrijwillig aangegaan wanneer beide partijen erbij winnen. Waarom blijven dan zoveel intellectuelen handel aan oorlog gelijk stellen?

Een belangrijke verklaring hiervoor is de volgende. De meeste intellectuelen, zeker zij die geen economie hebben gestudeerd, vallen ten prooi aan wat ik nulsomdenken zou durven noemen. De idee dus er enkel alleen maar winners en verliezers zijn en dat het resultaat als geheel nul is. We komen dit nulsomdenken heel vaak tegen, zelfs bij aanhangers van de evolutietheorie, terwijl net de biologische evolutie ons net leert dat het resultaat per definitie niet nul is, maar positief. In Nonzero. The Logic of Human Destiny toont auteur Robert Wright overtuigend aan dat ook de culturele evolutie een niet-nul fenomeen is (non-zero). Bovendien is er zelfs sprake van toenemende meeropbrensten:

The principal argument of Nonzero is to demonstrate that natural selection results in increasing complexity within the world and greater rewards for cooperation. Since, as Wright puts it, the realization of such prospects is dependent upon increased levels of globalization, communication, cooperation, and trust, what is thought of as human intelligence is really just a long step in an evolutionary process of organisms (as well as their networks and individual parts) getting better at processing information.

(...)

Wright argues that as complexity in human society increases, the ability to reap "non-zero-sum gains" increases. For example, electronic communications enable trade at a global level, and allow various societies to trade in items they could not produce or obtain otherwise, resulting in benefits for everyone: new goods.  

Desalniettemin blijft nulsomdenken een nagenoeg universeel fenomeen. Ik zal het proberen te illustereren aan de hand van drie voorbeelden:auteursrecht en het illegaal downloaden, economische migratie en het "probleem" van de overbevolking.

Illegaal downloaden wordt inderdaad beschouwd als een nulsomspel of zelfs als een "negative sum game". De consument wint, want die moet minder of niet betalen voor het downloaden van muziek of film. Maar dat gaat dan weer ten koste van de producent. Aangezien muzikanten, schrijvers of filmproducenten minder auteursrechten zullen kunnen incasseren, zullen die geneigd zijn om minder intellectuele producties tot stand te brengen.  Resultaat: less than zero. Zelfs iemand als Noam Chomsky, een scherp criticus van intellectuele eigendomsrechten, is desondanks van mening dat in een kapitalistische economie dergelijke rechten een absolute noodzaak zijn.

Het uiteindelijke resultaat van illegaal downloaden is echter positief en niet negatief. Wanneer ik minder moet betalen voor een bepaald product (zoals muziek) dan hou ik op het einde van de rit  meer geld over. Dat geld kan gespaard of uitgegeven worden, maar is hoe dan ook beschikbaar voor de economie. Illegaal downloaden leidt ertoe dat de markt efficiënter werkt. Omdat er veel vragers en aanbieders zijn en de marginale kost om muziek te vespreiden (bijna) nul is, zullen de prijzen geleid door de onzichtbare hand van de markt ook dalen tot (bijna) nul. Dalende prijzen betekenen echter een hoger reëel inkomen. Dankzij illegaal downloaden neemt mijn koopkracht dus toe. Welnu, in het geval van muziek is het typisch zo dat die extra koopkracht vrijwel volledig naar de muziekindustrie terug vloeit. In plaats van mijn inkomen te besteden aan cd's, koop ik er nu bijvoorbeeld concerttickets mee. Sterker nog, uit Brits onderzoek blijkt dat zij die illegaal downloaden uiteindelijk méér geld uitgeven aan muziek dan zij die het niet doen, respectievelijk 85 euro en 48 euro. "Mensen gebruiken downloads vooral als mechanisme om muziek te ontdekken. Juist internetters die via internet liedjes uitwisselen, zijn sterk in muziek geïnteresseerd, zegt Mark Mulligan van onderzoeksbureau Forrester in de krant."

Economische migratie is een tweede belangrijk voorbeeld. Doorgaans vinden we de nulsomdenkers hier terug in conservatieve hoek, maar ook progressieve intellectuelen bezondigen zich eraan. Etienne Vermeersch vindt het zelfs "flauwekul" om immigranten toe te laten. Hier is een typische uitspraak van hem:

Spanje heeft een jeugdwerkloosheid van 50 procent. Als je daar nu nog eens een massa mensen naartoe stuurt, maak je dat alleen maar erger.

Maar dit is zelf onvoorstelbare flauwekul. Vermeersch bezondigt zich hier aan wat onder economen bekend staat als de "lump-of-labour"-fallacy, een toepassing van nulsomdenken op de arbeidsmarkt.  Dit is de idee dat er een bepaalde hoeveelheid arbeid beschikbaar is, en dat elke nieuwkomer bijgevolg een bestaande job afneemt. Evenwel is het zo dat die hoeveelheid arbeid niet constant is, maar toeneemt. Een immigrant dient hier ook geld uit te geven om aan eten en onderdak te geraken. Deze uitgaven leiden tot nieuwe bijkomende jobs. Bovendien verbetert arbeidsmobiliteit de efficiënte werking van de arbeidsmarkt.

Aangezien echter een beeld meer waard is dan 1000 woorden:

Voor het laatste voorbeeld, dat van de overbevolking, dienen we opnieuw beroep te doen op Etienne Vermeersch. Eerst nog dit. Vermeersch is ongetwijfeld een zeer groot denker. Ik heb veel sympathie voor de man en ben het vrijwel volledig eens met zijn analyse van religie. Desalniettemin moet erop worden gewezen dat "de grootste intellectueel van Vlaanderen" tevens systematisch aan "nulsomdenken" doet. Dat zagen we al in het geval van immigratie, we zien het nog meer bij een ander dada van hem, namelijk de overbevolkingsproblematiek. Voor Vermeersch is elke mens er eigenlijk één te veel. Een mens wordt zeer éénzijdig beschouwd als iemand die voortdurend beslag legt op de hulpbronnen van deze planeet, zodat er op een bepaald moment een "breaking-point" komt waarbij de mens de aarde vernietigd.

Vandaar zijn pleidooi om niet enkel de bevolkingsaangroei te stoppen, maar zelfs om te keren naar een "optimum" van bvb. 1 miljard. Waarom 1 miljard optimaal zou zijn, en niet 8 of 9 miljard (of 500 miljoen) wordt er nooit bij verteld.

Ramez Naam wijst er echter op er ook een onbeperkte hulpbron is: namelijk onze eigen ideeën en inventiviteit. En, hoe meer mensen, hoe meer ideeën, hoe meer inventiviteit en hoe meer innovatie. Alex Tabarrok zegt het zo:

The real tragedy of the last century is this: if you think about the world's population as a giant computer, a massively parallel processor, then the great tragedy has been that billions of our processors have been off line. But in this century China is coming on line. India is coming on line. Africa is coming on line. We will see an Einstein in Africa in this century.

Ik zeg niet dat dit proces automatisch verloopt, en dat er in sommige regio's geen probleem is met een te snelle aangroei van de bevolking. Maar dat er momenteel geen globaal overbevolkingsprobleem is, wordt duidelijk bewezen aan de hand van cijfers van de Wereldbank:

Last week, the World Bank updated its commodity database, which tracks the price of commodities going back to 1960. Over the last 55 years, the world’s population has increased by 143 percent. Over the same time period, real average annual per capita income in the world rose by 163 percent. What happened to the price of commodities?

Out of the 15 indexes measured by the World Bank, 10 fell below their 1960 levels. The indexes that experienced absolute decline included the entire non-energy commodity group (-20 percent), agricultural index (-26 percent), beverages (-32 percent), food (-22 percent), oils and minerals (-32 percent), grains or cereals (-32 percent), raw materials (-32 percent), “other” raw materials (-56 percent), metals and minerals (-4 percent) and base metals (-3 percent).

Five indexes rose in price between 1960 and 2015. However, only two indexes, energy and precious metals, increased more than income, appreciating 451 percent and 402 percent respectively. Three indexes increased less than income. They included “other” food (7 percent), timber (7 percent) and fertilizers (38 percent).

Taken together, commodities rose by 43 percent.

If energy and precious metals are excluded, they declined by 16 percent.

Assuming that an average inhabitant of the world spent exactly the same fraction of her income on the World Bank’s list of commodities in 1960 and in 2015, she would be better off under either scenario, since her income rose by 163 percent over the same time period.

This course of events was predicted by the contrarian economist Julian Simon some 35 years ago. In The Ultimate Resource, Simon noted that humans are intelligent animals, who innovate their way out of scarcity. In some cases, we have become more parsimonious in using natural resources. An aluminum can, for example, weighed about 3 ounces in 1959. Today, it weighs less than half an ounce. In other cases, we have replaced scarce resources with others. Instead of killing whales for lamp oil, for instance, we burn coal, oil and gas.

Ook zeg ik niet dat sommige problemen, zoals misschien "global warming", mede veroorzaakt wordt door een te groot aantal mensen op deze planeet. Maar dan nog zijn er andere oplossing denkbaar die haalbaarder en effectiever zijn dan het stopzetten van de bevolkingsaangroei.

Hoe dan ook is het duidelijk dat enkel vanuit een nulsomdenken "overbevolking" per definitie een slechte zaak is, net zoals handel dan per definitie oorlog is.

Om te eindigen nog een laatste zeer recent voorbeeld. Volgens een recent Oxfam-rapport bezitten de 62 rijkste mensen op aarde evenveel van de welvaart dan de helft armsten. Los van de inhoudelijke kritiek op de Oxfam-studie kan je alleen vaststellen dat dit soort opmerkingen doorwasemd is van nulsomdenken. Het gaat er immers van uit dat de welvaart van de 62 rijkste mensen ten koste gaat van de welvaart van de helft armsten. Niets is echter minder waar. Hoe schrijnend je de toename van de ongelijkheid al dan niet kunt vinden, ze vindt plaats in een tijd dat de armoede globaal bekeken op een spectaculaire manier daalt. Het feit dat Oxfam dit goede nieuws nooit maar dan ook nooit aanhaalt, maar wel geobsedeerd is door bepaalde vormen van ongelijkheid, is het beste bewijs dat nulsomdenken werkelijk een universeel gegeven is.

Het uitroeien ervan moet dan ook de topprioriteit zijn van iedereen die het goed meent met deze planeet en met de mensheid.