Er zijn heel wat misvattingen over het groeimirakel in China, tot op vandaag. Dat is raar want al in 2008 reeds werd dit mirakel ontmaskert door Yasheng Huang in zijn boek Capitalism with Chinese Characteristics: Entrepreneurship and the State. In 2012 publiceerde Huang een update van zijn thesis aan de hand van een artikel verschenen in de Journal of Economic Perspectives getiteld How Did China Take Off? In deze post ga ik voort op dit artikel.
Zoals algemeen bekend wordt het Chinese groeimirakel toegedicht aan het feit dat China zich inschreef in de “globalisering”. En inderdaad in 1979 werd een wet aangenomen die joint ventures mogelijk maakte tussen Chinese en buitenlandse ondernemingen en waarbij de Chinese overheid er zich toe verbond de eigendomsrechten van die buitenlandse ondernemingen te garanderen. Vanaf dat moment begonnen buitenlandse bedrijven (veelal Amerikaanse) te investeringen in China. China begon daartoe ook met de oprichting van de zogenaamde “special economic zones” met name in de verstedelijkte kustgebieden.
Maar tegelijk vonden ook in de meer binnenlands gelegen gebieden, veelal ruraal van aard, hervormingen plaats. En die hervormingen leidden ook daar tot een economische take-off, die op alle vlakken veel indrukwekkender was dan de groei als gevolg van de buitenlandse investeringen. Enkele cijfers: op zijn hoogte punt in 2010 (ter herinnering: artikel is van 2012) stelde firma’s gefinancierd met buitenlands kapitaal 18 miljoen mensen tewerkt. De ondernemingen in rurale gebieden (township and village entreprises of TVA’s) daarentegen stelden reeds bij hun AANVANGSPUNT in 1978 reeds 28 miljoen Chinezen tewerk. Op tien jaar tijd (tussen 1978 en 1988) daalde het aantal armen met 154 miljoen; een veel grotere daling van de armoede dan de decennia nadien. Dat was niet te danken aan de buitenlandse investeringen: in 1990 werkten er amper 660.000 Chinezen in de special economic zones. In vergelijking daarmee waren er bijna 100 miljoen Chinezen werkzaam in rurale TVA’s.
Kortom, China’s take-off en met name impressionante daling van de armoede vond grotendeels plaats gedurende de jaren tachtig van vorige eeuw, en had dus niets te maken met de “globalisering”, aangezien deze pas in de decennia nadien onder stoom kwam. Het betekent ook dat de enorme daling van de armoede in de wereld die men voor een belangrijk deel (terecht) aan China toeschrijft, grotendeels tot stand kwam in de 1980’s. Nadien zetten de daling zich nog wel door, maar in veel beperktere mate en begon de ongelijkheid, die in de jaren tachtig significant was gedaald, opnieuw te stijgen.
Het China van dat decennium had ook geen van de kenmerken die zowat iedereen ziet als de kenmerken van het Chinese groeimodel: massieve overheidsinvesteringen in infrastructuur, een ondergewaardeerde munt, gigantische handelsoverschotten, een laag consumptiepeil. China had in die jaren echter nauwelijks oog voor infrastructuurinvesteringen, de Chinese munt was OVERgewaardeerd, er waren meer jaren met handelstekorten dan -overschotten en het consumptiepeil lag veel hoger dan recent (50% vs. 35%).
Uit regeringsdocumenten blijkt bovendien dat die zogenaamde TVA’s (ondanks hun naam) vanaf het begin meestal private ondernemingen waren. Daarnaast had China in die jaren dankzij financiële hervormingen een “community banking system” (eveneens grotendeels privaat – opnieuw ondanks de naam) die voldoende krediet investeerde in de reële economie (wat, tussen haakjes, overeenstemt met de theorie van Richard Werner dat geldcreatie die geïnvesteerd wordt in de reële economie – en dus niet bestemd wordt voor consumptie of voor beleggingen in financiële activa – kan leiden tot economische groei in de dubbele cijfers zonder inflationaire effecten. Alleen heeft Werner, net zoals vele anderen overigens, gemist dat het huidige China allang niet meer aan zijn model beantwoord, omdat de hervormingen van de jaren tachtig intussen zijn teruggedraaid.)
Kortom, volgens Huang zijn het net die rurale private ondernemingen en het bankensysteem dat daaraan werd gelieerd verantwoordelijk voor wat we als het Chinese groeimirakel zijn gaan zien: armoedebestrijding, snelle economische groei en een initiële daling van de inkomensongelijkheid. Maar in de jaren negentig veranderde China drastisch van koers en werd dit experiment in ruraal ondernemerschap in essentie stopgezet en vervangen door buitenlandse investeringen, het versterken van staatsondernemingen, grote infrastructuurwerken en een exportgerichte economie met grote handelsoverschotten en een ondergewaardeerde munt. Als gevolg daarvan is China nog steeds een staatsgeleide economie. Jammer genoeg wordt net die staatsgeleide economie verantwoordelijk geacht voor het economisch succes van de land de laatste decennia. Dat is dus volkomen ten onrechte.
Yasheng Huang toont in zijn artikel immers aan dat de overgrote meerderheid van de TVA’s privaat waren, dat ze tot de meest productieve ondernemingen in China behoorden en vooral actief waren in de armste provincies. Hun rol in de armoedereductie waarvoor China zo beroemd is geworden, is van onmisbare waarde gebleken.
Daarnaast waren er de financiële hervormingen. Die bestonden in hoofdzaak uit drie aspecten
1) controle-rechten over (informele) financiële instellingen werden overgedragen aan de deposito-houders.
2) toegangsbarrières tot (informele) financiele intermediatie werden opgeheven
3) als gevolg van 1) en 2) kregen lokale private ondernemers veel gemakkelijker toegang tot (goedkope) kredieten.
Ik heb een paar keer bewust het woorden informeel toegevoegd, weliswaar tussen haakjes. Dat is niet onbelangrijk. Het ging hier niet om officiële (staats)banken maar om een informele private (weliswaar als coöperaties, zie punt 1) financiële sector. Informele banken nooit door de Chinese centrale bank werd erkend maar die wel hun operaties oogluikend toestond. Dit is geen onbelangrijk punt: de Chinese centrale bank (alsook de Landbouwbank van China) stond effectief toe dat de informele financiële sector volop tot ontwikkeling kwam (en moedigde het zelfs aan) zodat private ondernemingen ook gemakkelijker aan krediet konden geraken.
Waarom is dit belangrijk? Omdat de Chinese autoriteiten deze hervormingen in de jaren negentig volledig terugdraaiden. De drie bovenvermelde aspecten werden alle drie opgeheven. Een recentralisatie vond plaats. De informele bankensector werd nagenoeg weggevaagd. Sommige private financiële ondernemers werden zelfs gearresteerd en streng gestraft. In 1998 werd een wet aangenomen waardoor de ganse informele financiële sector illegaal werd verklaard. Doordat het “community banking system” effectief werd afgeschaft, droogde ook de kredietverlening aan de TVA’s volledig op. Dat geld werd in de plaats daarvan besteed aan gigantische infrastructuurprojecten – met als resultaat adembenemende projecten zoals hypersnelle treinen en het grootse spoornetwerk ter wereld, maar ook totale fiasco’s zoals de fameuze Chinese spooksteden (1) – bedacht door stedelijke technocraten die de macht na Tienanmen hadden overgenomen van de rurale hervormers.
Maar hoe komt het dan dat de economische groei ook na de jaren tachtig hoog bleef (althans tot recent)? Het antwoord daarop is dat groei natuurlijk verschillende oorzaken kan hebben. Als er veel wordt geïnvesteerd bijvoorbeeld in grote infrastructuurprojecten zal dat een positieve invloed hebben op de economische groei. Hetzelfde betreft de grote handelsoverschotten (X > M dus X – M is positief dus GDP gaat omhoog). De samenstelling van die groei is echter wel veranderd sinds het decennium van de TVA’s. Tussen 1978 en 1988 groeide het inkomen per huishouden in de landelijke gebieden (70% van de bevolking) met gemiddeld meer dan 10% per jaar, hoger dan de economische groei. Tussen 1989 en 2002 daalde dat tot 4% per jaar, minder dan de helft van de economische groei. Kortom, in plaats van binnenlandse bestedingen als gevolg van een hoger inkomen van de meerderheid van de bevolking, is de Chinese groei volkomen afhankelijk geworden van overheidsinvesteringen en van netto-export (terwijl de spaarquote sterk is gestegen).
Het ziet er naar uit dat China onder Xi opnieuw van koers probeert te veranderen: er worden verwoede pogingen gedaan om de exportafhankelijkheid te verminderen (onder meer ook omdat de V.S. onder Trump en wegens de China-Shock zijn afhankelijkheid van Chinese export wil verminderen) en de binnenlandse consumptie op te krikken. Maar een terugkeer naar het bijzonder succesvolle en bijna anarcho-kapitalistisch experiment van de jaren tachtig van de vorige eeuw, lijkt er helaas niet in te zitten. Of dit alles de Chinese bevolking ten goede zal komen, zoals dat experiment, is nog maar de vraag.
(1) Bewonderaars van het Chinese model verwijzen altijd graag naar de technologische mirakels zoals de supersonische treinden maar over de Chinese spooksteden (soms ook met elkaar verbonden door hetzelfde hyper technologische spoornetwerk) hebben ze het liever niet.
